“Zo,” verzucht ik, “ik ga pauze houden in de VU.”

Het is woensdag 10 april, een week voor de boekpresentatie, en naast alle drukte rondom dat bijzondere project, vraagt ook mijn studie die week veel aandacht van me. Als ik aan het begin van de middag naar Amsterdam vertrek om de nefroloog te laten checken hoe het met mijn nieren gaat, ben ik blij dat we ver weg wonen en ik even een paar uur van mijn bezigheden weg ben.

“Het zou best lekker zijn als haar spreekuur een beetje uitloopt. Hoe meer uitloop, hoe langer mijn pauze.”

Eenmaal op de afdeling blijkt dat de nefroloog niet achter- maar voorloopt op haar schema. Ik mag meteen mee naar haar spreekkamer. De dokter wordt eerst even bijgepraat over wat haar patiënt zoal doet als ze geen pauze houdt op de poli en dan bespreken we hoe mijn nieren zich houden.

Mijn nieren voeren hun meeste taken naar tevredenheid van de nefroloog uit. Toch heeft ze twee aandachtspunten. Als ze vraagt hoe ik daarover denk, haal ik mijn schouders op.

“Ik vind het niet zo schrikbarend.”

Zij ziet gelukkig ook geen reden tot grote paniek, maar er wordt wel extra onderzoek ingezet. Het bloedonderzoek wordt uitgebreid en als ik op 20 juni in het ziekenhuis ben voor een oncologische controle, mag ik een uurtje langer blijven om mijn bloeddruk in de gaten te houden.

Na een bezoekje aan het priklab en de autorit naar huis, is mijn pauze weer voorbij. In de maanden die volgen, speelt vooral scriptiestress een grote rol. Perfectionisme, dit wordt een ramp, niets is goed genoeg, veel te weinig tijd… dat soort bloeddrukverhogend gedoe.

Op donderdag 20 juni reis ik weer af naar Amsterdam. Vooral de heenreis is een behoorlijke onderneming en voor het eerst sinds de operatie waarbij mijn tumor werd verwijderd, ren ik. Ja, dat lezen jullie goed: ik rén naar de trein.

“Rennen voor je longfoto’s!” roep ik lachend.

In de VU is het druk. Op de röntgenafdeling loopt het ontzettend uit. Maar dat vind ik helemaal niet erg, want de pedagogisch medewerker zoekt me op en de wachttijd vliegt om. Nadat mijn longen zijn gefotografeerd, nemen mijn zus en ik plaats in de volgende wachtkamer en ook daar moeten we ons behoorlijk lang vermaken.

Eenmaal tegenover de oncoloog, wordt ook nu weer even gevraagd om een verslagje van wat ik nu toch allemaal aan het uitspoken ben, buiten de ziekenhuismuren. Daarna worden we weer serieus.

Het moment waarop we voor de laatste keer zullen kijken of de bottumor wegblijft, komt namelijk dichterbij. De kans dat de ziekte terugkomt, is er dan nog wel, maar het risico is dan klein. Het risico dat röntgenstraling geeft voor mensen met de afwijking in het DNA die ik heb, weegt dan niet meer op tegen de voordelen van het blijven maken van de foto’s. De arts legt uit dat hij twijfelt of hij mijn longen nog eens in beeld wil brengen met een CT-scan, voor we stoppen, zodat we zeker weten dat ik schoon ben. Maar zo’n scan geeft heel veel straling. In overleg besluiten we uiteindelijk dat we het risico niet nemen: geen afsluitende CT-scan.

De dokter vraagt hoe het gaat. Omdat chemotherapie de hartspier kan beschadigen, plannen we een hartecho voor over een aantal maanden. De arts vraagt of ik hartklachten heb, of ik bijvoorbeeld snel moe word als ik een trap oploop. Nog voordat ik een antwoord kan geven, doet mijn zus dat al voor me.

“Dit kind heeft vandaag gerend! Trappen op, trappen af…”

Mijn hart lijkt het prima te doen, maar dat weten we pas zeker na de echo.

Na een lang gesprek gaan we door naar de volgende wachtkamer. Ook hier ligt men achter op schema.

“Dit is echt onze dag, hè”, zeg ik tegen mijn zus. “Misschien moeten we gewoon even niet mijn bloeddruk meten vandaag.”

Maar dat moet wel. Een uur lang zelfs. Nog meer wachten, maar nu met een bloeddrukmeter om mijn arm, in een stoel met verstelbaar voetenbankje, waar ik niet eens bij kan.

“De volgende keer een beetje groter groeien, hoor”, zegt de verpleegkundige.

Als zij weet hoe, wil ik best een poging wagen. Maar of er snel een volgende keer komt, betwijfel ik. Mijn bloeddruk is netjes.

De oncoloog had al laten doorschemeren dat hij mijn longfoto’s er mooi uit vond zien, maar een officiële uitslag van de radioloog is er nog niet. Vandaag, op 21 juni, is dat wel het geval.

In mijn dossier staat te lezen: “Heldere longvelden, geen nodulaire afwijkingen.” Dat zijn moeilijke woorden voor: vier het leven!

De zomer kan niet mooier beginnen. Volgende week ben ik nog even student en laat de nefroloog nog even weten hoe ze over de uitslagen van de extra onderzoeken denkt. Maar dat er de komende weken iets gevierd gaat worden, staat al vast.