Het is een paar dagen na die verpletterende diagnose in 2014, als er een stroom van reacties op gang komt. Vanuit alle uithoeken van mijn netwerk worden e-mails vol ongeloof, whatsappberichtjes vol hartjes en kaarten met lieve woorden gestuurd. Iedere keer als ik de telefoon opneem, begint de stem van degene aan de andere kant van de lijn te trillen van woede, verdriet, onmacht. Mijn bezoek omhelst me zo stevig, dat ik vermoed dat ze me nog wel even zullen vasthouden. Een jaar of vijfenzeventig, ofzo.

Ik vind het verschrikkelijk dat de mensen om me heen zoveel verdriet hebben. Onder al hun aandacht voel ik me ongemakkelijk, verlegen en een beetje schuldig, maar vooral: geliefd. Het is zo mooi om te zien hoeveel mensen aan me denken, er voor me willen zijn en me het allerbeste toewensen.

Het maakt niet eens uit welke woorden de afzender heeft gekozen. Ieder kaartje, berichtje of mailtje veroorzaakt een glimlach, in een periode waarin iedere lach voelt als een piepkleine overwinning. Tot op de dag van vandaag is iedere, ja ├ęcht iedere reactie, zorgvuldig bewaard. Ik lees ze niet of nauwelijks terug, maar liefde weggooien, dat kan natuurlijk niet.

Sinds de uitnodigingen voor mijn boekpresentatie verspreid zijn, komen de aanmeldingen voor die avond binnen. Via de mail laten mensen niet alleen weten dat ze zullen komen, maar ze voegen daar vaak ook nogal wat complimenten, lieve woorden en uitroeptekens aan toe. Net als in 2014 word ik daar soms een beetje verlegen van, maar voel ik me toch vooral gewaardeerd en geliefd. En dus moet ik ook nu glimlachen bij het lezen van ieder bericht. Maar de wanhoop, de onmacht en het verdriet uit 2014 laten we nu lekker weg. Heel ver weg.

En weten jullie wat het allermooist is? Het mooiste moet nog komen!