“Geloof je het al?”

Het is woensdag 26 juni, de zon schijnt uitbundig. Samen met één van mijn beste vriendinnen stap ik het klaslokaal uit, waarin ik enkele minuten daarvoor ben afgestudeerd.

“Ja… nee… ja… ik weet het niet!” breng ik uit.

De scriptiestress zit zelfs nog in mijn systeem, maar toch kost het me moeite om te geloven dat het écht waar is. Steeds als ik tijdens mijn behandeling groepjes studenten tegenkwam in het ziekenhuis, onderzocht werd door een coassistent of kennismaakte met een nieuwe verpleegkundige in opleiding, hoopte ik dat ik ooit, net als zij, zou studeren. En nu ben ik dus “opeens” afgestudeerd.

Dat is geheel tegen de verwachting van de chirurg uit het streekziekenhuis in, die dacht dat we mijn leven “waarschijnlijk wel zouden kunnen rekken”. Op dit soort belangrijke momenten moet ik daar vaak even aan denken. Iedere mijlpaal, ieder bijzonder moment en iedere goede uitslag in het ziekenhuis voelt als een soort bekrachtiging van het tegenovergestelde van die sombere verwachting. Hoezo, rekken? Kijk dan: ik lééf! Dàhàg, stom osteosarcoom!

Je zou denken dat veel dingen inmiddels alweer als vanzelfsprekend zouden voelen, maar dat ervaar ik absoluut (nog) niet en dat vind ik prima. Ik beleef dingen heel intens, neem alles extra goed in me op en ik ben dankbaar.

De zomer die op mijn afstuderen volgt, is rustig, fijn, gezellig en vrij van verplichtingen. Precies waar ik behoefte aan heb na een heel druk, bijzonder schooljaar. Op een avond besluiten mijn tweelingzus en ik nogal spontaan om begin september New York te gaan vereren met een bezoekje.

“Geloof je het al?” vraagt mijn zus als we boven de Atlantische oceaan vliegen.

“Nee.”

“Ik ook niet.”

Na een aantal fantastische, volgeplande dagen steken we de oceaan weer over, met meer dan 700 foto’s als bewijs en een koffer gevuld met spullen die, volgens ons, ook écht in Nederland verkocht moeten gaan worden. Er kan weer iets worden aangekruist op mijn bucketlist: New York is van een droom in een prachtige verzameling herinneringen veranderd.

Terwijl ik nog aan het nagenieten ben van mijn avonturen in Amerika, begin ik alweer af te tellen naar iets nieuws. Dat betreft deze keer geen bijzonder uitstapje, maar een controle in het AMC. Celine die naar een ziekenhuisbezoekje uitkijkt, dat klinkt niet goed, maar dat is het wél.

Ik kijk uit naar mijn controle op 26 september, maar eerst staat er op 25 september nog een afspraak in het VUmc gepland. Tijdens die afspraak wordt gecontroleerd of het middel Doxorubicine, één van de soorten chemo die ik heb gehad, schade heeft veroorzaakt aan mijn hart. Het is nauwelijks te bevatten dat de chemotherapie, jaren na de behandeling, nog nare bijwerkingen kan hebben. Niemand kan nog aan me zien dat ik ooit chemo kreeg, maar de kans op bijwerkingen is nog steeds aanwezig.

Op woensdagmiddag worden een hartecho en een ECG gemaakt en wordt mijn bloeddruk gemeten. Niet veel later zit ik tegenover de cardioloog om nog wat vragen te beantwoorden, luistert zij nog even naar mijn hart en longen en bespreekt ze de uitslagen. Een prima bloeddruk, prachtige hartecho en een perfect hartfilmpje. We blijven mijn hartfunctie controleren, maar op dit moment valt ook aan mijn hart niet te merken dat het ooit met chemo verrijkt bloed heeft rondgepompt.

Iets meer dan twaalf uur nadat ik thuiskwam uit het ziekenhuis, sta ik alweer klaar om opnieuw naar Amsterdam af te reizen.

“Eindelijk! Eindelijk! Eindelijk!” roep ik.

De files zijn veel minder erg dan verwacht en we komen veel te vroeg aan in het AMC. Meestal loopt het spreekuur van mijn arts behoorlijk uit, dus ik houd rekening met een lange wachttijd, maar het kan me niets schelen. Vandaag is een mooie dag.

Op de afdeling Radiologie worden drie röntgenfoto’s van mijn bekken gemaakt en ik mag door naar de wachtkamer van de orthopeed. Terwijl ik me afvraag waarom ik geen boek heb meegenomen, noemt de arts-assistent mijn naam. Waarschijnlijk kijk ik hem behoorlijk verbaasd aan.

“Dat gebeurt hier niet vaak, hè?”

De orthopeed in opleiding stelt wat vragen, onderzoekt mijn heup en gaat mijn eigen arts roepen. We hebben het over “Sterk Spul” en toekomstplannen en dan breekt eindelijk het moment aan waar ik zo naar heb uitgekeken.

“Gefeliciteerd”, zegt de dokter.

Vandaag is de laatste dag dat we controleren of de tumor in mijn bekken nog weg is. De foto’s zien er, volgens de dokter, zelfs wonderbaarlijk goed uit.

“Die tumor komt niet meer terug”, stelt de orthopeed.

Kan hij dat alsjeblieft nog 457 keer zeggen? Ik heb zin om door de spreekkamer te dansen, maar ik kan me gelukkig inhouden.

We bespreken kort hoe het nu verder zal gaan. Mijn bekken hoeft niet meer gecheckt te worden op terugkerende tumoren, maar de prothese moet wel in de gaten gehouden worden. Dat zullen we doen door jaarlijks een afspraak in te plannen en een röntgenfoto van mijn bekken te maken.

Zijn we nu dan helemaal klaar met de controles voor de bottumor? Nee, zo ver is het nog niet, maar ook die dag is dichtbij. Ontzettend dichtbij zelfs. Over drie maanden zullen er nog eens foto’s van mijn longen worden gemaakt. Als ook mijn longen schoon zijn, is dàt de laatste controle binnen het protocol voor een osteosarcoom. We zullen dan stoppen met het maken van longfoto’s. Ik kan het eigenlijk nog niet zo goed geloven. Het is ook best raar: ik ben het normaal gaan vinden om vier keer per jaar te laten onderzoeken of er kwaadaardige dingen in mij groeien en straks doen we dat veel minder vaak.  

Het afronden van deze vijf jaar aan controles is een enorme mijlpaal, een ontzettend belangrijk moment. Na vijf jaar is het heel onwaarschijnlijk dat het osteosarcoom nog terugkomt. Dàt hoofdstuk is dan echt ten einde.

Qua ziekenhuisbezoekjes zal dat uiteindelijk niet heel veel veranderen. Er zullen jaarlijks nog steeds gemiddeld ongeveer vijf specialisten zijn die me willen onderzoeken. Hoe, wie, wat, wanneer, waar en waarom wordt nog uitgewerkt en leg ik nog wel een keer uit. Dat is nu even helemaal niet belangrijk. Want of ik het nu wel of niet kan geloven, de orthopeed is er zeker van.

“Die tumor komt niet meer terug.”

En dat is het àllerbelangrijkst.