Het is 15 januari 2014, als de oogarts me voorgaat naar de kinderafdeling van het VUmc. Zestien jaar eerder leerde deze dokter mij kennen: een piepkleine, pasgeboren baby met twee blauwe oogjes vol kwaadaardige cellen. Mede dankzij de oogarts groeide dat baby’tje op tot een eigenwijze, maar vooral levenslustige puber. Maar nu wordt het leven van dat pubermeisje opnieuw bedreigd, doordat haar celdeling weer heeft gefaald.

Op die vijftiende januari is al mijn hoop gevestigd op de kinderoncoloog. Ziet ze kansen, of wordt mijn toekomst straks van tafel geveegd? Zetten we de aanval in op de tumorcellen in mijn bekken en longen, of ben ik al verloren?

Op de afdeling voer ik met de kinderoncoloog een gesprek dat me altijd bij zal blijven. Ja, ze ziet kansen. Maar of we de aanval ook daadwerkelijk gaan openen, is aan mij. Wil ik dat wel? Ben ik bereid om nog een keer een hoge prijs te betalen om in leven te kunnen blijven?

Tijdens het gesprek worden dingen besproken waar zestienjarige meisjes helemaal niet aan horen te denken: (on)vruchtbaarheid, mogelijke hartschade of beschadiging van het gehoor door de chemotherapie en de aanzienlijke kans om rolstoelafhankelijk te worden.

Ik kies voor het leven en vanaf dat moment stellen de artsen alles in werking om mijn toekomst veilig te stellen. De kinderoncoloog doopt de chemotherapie om tot “sterk spul” en ik hoop dat ze gelijk krijgt en dat het spul inderdaad sterk is. Sterker dan die stomme cellen.

Sterk is het zeker, de chemo die ze voorschrijft, en daar hebben niet alleen de kankercellen last van. Ik verlies mijn lange haar, verbruik talloze spuugbakjes en mijn slijmvliezen gaan helemaal stuk. Ik blijf voor ogen houden waarvoor ik dit allemaal doe. En als ik het zelf even niet meer weet, vindt de kinderoncoloog altijd wel iets waar ik me aan vast kan houden.

Al het werk dat mijn behandelteam levert, wordt beloond met gunstige uitslagen. Hoewel uitslagen afwachten niet mijn hobby is, is het iedere keer weer heerlijk om te zien hoe blij en tevreden mijn topdokters zijn, als ik lachend, en lopend, hun spreekkamer betreed en vertel wat ik allemaal uitspook.

De kinderoncoloog en ik willen eigenlijk nog geen afscheid van elkaar nemen, dus stellen we dat zo ver mogelijk uit.

“Ik blijf je op de achtergrond volgen, hoor”, zegt de arts als ze me uiteindelijk toch overdraagt.

In december 2018 hoort de kinderoncoloog over mijn boek in wording. Daar moeten we het natuurlijk even over hebben, dus wacht ze me, samen met mijn pedagogisch medewerkster, op na één van mijn ziekenhuisafspraken.

“Ik wil wel een échte handtekening, hoor”, zegt ze.

Over het algemeen doe ik wat mijn dokters me opdragen, maar aan dit verzoek ga ik niet voldoen. De dokter geeft niet zomaar op en dus zoeken we naar alternatieven. Een lippenstiftkus, misschien? Of een vingerafdruk? Ik moet er hard om lachen.

Toch laat het idee me niet helemaal los. In de maanden die volgen, wordt er hard gewerkt aan het boek. Er zijn veel beslissingen waar ik lang over na moet denken, maar één ding weet ik meteen heel zeker: het allereerste exemplaar is voor mijn kinderoncoloog. Mét kus.

Een testkus leert me dat één veeg genoeg is om de lippenstift uit te vegen. Google adviseert me er haarlak op te sprayen, maar na drie keer vegen, heeft ook de tweede lippenstiftkus de test niet doorstaan. Er zit dus maar één ding op.

Op 17 april 2019 smeer ik inkt op mijn lippen en druk ik een kus op het eerste exemplaar van “Sterk spul”. Samen met mijn tweelingzus rijd ik naar de VU, hopend dat de inkt opdroogt. Op de negende verdieping van het ziekenhuis, waar zo hard gewerkt is om mij beter te maken, wachten de kinderoncoloog en de pedagogisch medewerkster ons op.

We kiezen één van de kamers uit waar ik het vaakst heb gelegen. Ooit hingen daar duizend kraanvogels geluk te brengen, ooit lag ik daar met lippen die zó ver kapot waren dat ze geen glimlach meer konden vormen, ooit heb ik me daar afgevraagd of ik nog toekomstdromen zou verwezenlijken.

Nu drinken we er thee, hebben we er een mooi gesprek en moeten we heel hard lachen. Maar het allerbijzonderst van alles: de dokter krijgt het eerste exmplaar en die welverdiende kus heeft het gered. Net als het meisje waar deze kinderoncoloog zo goed voor gezorgd heeft.